Column: Vuilnis

BUNNIK Ik scheid me dwars doormidden. Kranten, dozen en tekeningen gaan in blauw, voedselresten en stukken tuin gaan in bruin. Plastic, metaal en drankkartons (PDM) gaan in een speciale zak, batterijen gaan naar de supermarkt en textiel gaat in de container van Sympany. Mijn lege flessen stort ik, met gezonde regelmaat, in de glasbak. En zelfs daar sorteer ik op kleur. De rest gaat in grijs of ik breng het zelf naar de milieustraat.

Bunnik is een nette gemeente, dus wij maken ons druk om ons afval. En ondanks al onze eigen inspanningen voor het sorteren en inleveren van al onze troep betalen we een stevige bijdrage aan afvalstoffenheffing. Het maakt niet uit hoeveel vuil je maakt, je wordt afgerekend als 1-persoons- of meerpersoonshuishouden. In ruil voor dat geld zorgt de gemeente dat ons afval wordt opgehaald en verwerkt.

Tot 2016 reden de wagens van Van Gansewinkel door ons dorp, maar sindsdien leegt Reinigingsdienst Midden Nederland (RMN) onze kliko's. RMN is een gemeenschappelijke regeling van zes gemeenten, waaronder Bunnik. 'Vuilnis ophalen is vuilnis ophalen', zult u denken. Maakt niet uit wie dat doet. Dat klopt. En met zo'n nieuwe gemeenschappelijke regeling, is een fikse besparing ook een belangrijke voorwaarde, toch?

Dat dacht de gemeente ook. Maar 'vuilnis betalen is niet vuilnis betalen'. Anders dan Van Gansewinkel stuurt RMN namelijk een separate factuur voor bedrijfsafval. Daar had de gemeente niet op gerekend. Aai! En die rekening landde bij de financiële afdeling ook nog eens op een leeg bureau. 'Facturen betalen? Daar zoeken we nog iemand voor!'

Bunnik is een nette gemeente en een goede betaler. Ook als het geld van haar inwoners betreft. De wethouder en de raadsleden zijn geschrokken, maar de inwoners zijn de pineut, want de rekening wordt verrekend. Steeg de afvalstoffenheffing dit jaar nog met 7,3% naar 221 euro, in 2018 rekent de gemeente een bedrag van 256 euro om de RMN facturen te compenseren. En zo betalen wij 35 euro extra om hun zooi op te ruimen. En daar scheid ik nog wel het meeste van!

Wouter de Kleyn